ARTIKEL

De eeuwige discussie?


Frank Speet | 28 december 2000
Halfgeleiders hebben sinds de jaren ’50 en ’60 de wereld veroverd; zonder halfgeleiders waren er geen computers, geen GSM telefoons, geen rekenmachines en noem maar op. Er zijn echter nog steeds toepassingsgebieden waar een fervente aanhang voor buizenapparatuur te vinden is. Eén daarvan is hifi. Dat is waar u voor komt op deze site, dus zal ik me beperken tot een beschouwing over dit toepassingsgebied.

Een beetje techniek:

In een buis bewegen elektronen zich door een vacuüm en in een halfgeleider door een vaste stof, meestal silicium. In een buis is het noodzakelijk om door middel van een gloeidraad elektronenemissie in de kathode op gang te brengen alvorens er een stroom naar de positief geladen anode op gang kan komen. Door een spanning op een of meerdere roosters te zetten kan deze stroom worden beïnvloed, zeg maar gemoduleerd. Dit kan ook met een muzieksignaal zijn, wat aldus versterkt kan worden. In een halfgeleider is geen verhitting noodzakelijk; de hoofdstroom kan op gang gebracht worden met een klein stuurstroompje. Dit stroompje kan ook weer gemoduleerd worden met een muzieksignaal wat op die manier versterkt kan worden.
Dit zijn, op zijn simpelst voorgesteld, de belangrijkste technische verschillen tussen een buis en een halfgeleider. Wat beide technieken betreft zijn er natuurlijk eindeloze nuances aan te brengen, zowel in de strikt theoretische benadering als ook in de schakeling technische. Ik wil alleen wat grote lijnen uitzetten waarlangs ik een wandeling met u wil maken en mij wil afvragen wat beide technieken nu in de praktijk voor voor- en nadelen met zich meebrengen.

Wat willen we nu eigenlijk?

Het ligt voor de hand om op deze vraag te antwoorden met: “natuurgetrouwe weergave van opgenomen materiaal, CD’s, LP’s en wat dies meer zij.” Om te beginnen moet ik u toch de illusie ontnemen dat dat überhaupt mogelijk is met dat basismateriaal. Bij de opname wordt namelijk al de werkelijkheid herschapen. U bent volledig afhankelijk van de opnametechnicus. Waar zet hij de microfoons neer, wat voor microfoons, opnameapparatuur, randapparatuur etc etc worden gebruikt. Vergelijk alleen al eens de klankverschillen van een piano in bijvoorbeeld een klassieke opname met een jazz opname. Alleen als u wel eens naast een vleugel gestaan hebt als die bespeeld werd hebt u een goede referentie. Bij verreweg de meeste opnames wordt dynamiekreductie toegepast, zgn compressie, om zaken als bandruis en, in het digitale domein, korreligheid op lage volumes tegen te gaan. Daarnaast komt veel ruimtelijkheid in feite uit een doosje. Galmapparatuur maakt het werk voor veel studiotechnici een stuk gemakkelijker. Je neemt een instrument of een zangstem eenvoudigweg zo “droog” mogelijk op en voegt er later een heel precies te dimensioneren galm aan toe. De opnames van bijvoorbeeld Al di Meola of Enya zijn hier schoolvoorbeelden van. Aan het eind van het proces volgt nog de mastering in opdracht van de platenmaatschappij die het geheel nog iets platter maakt en tegen de tijd dat u de CD in de winkel koop heeft het oorspronkelijke muzieksignaal al een ongelofelijke reis achter de rug door een hele berg elektronica die waarschijnlijk lang niet zo mooi is als u hoopt. Helaas beste lezer(es), dat is de harde werkelijkheid. Uitzonderingen bevestigen uiteraard de regel. Er zijn inderdaad fantastische opnames vaar het onderste uit de kan gehaald wordt voor wat betreft dynamiek en klank, maar die zijn helaas nog altijd verre in de minderheid.
Terug nu naar onze weergave apparatuur en de vraag: “wat willen we nu eigenlijk?” Als natuurgetrouwheid al een probleem wordt, dan willen we in ieder geval een realistische weergave. Hoe bereiken we dat realisme; is dat een meedogenloos streven naar accuratesse en ultralage vervormingscijfers of is dat het louter subjectieve gevoel van ‘lekker luisteren’? Muziek is emotie, dat is al vaker gezegd, en ik ben het daar ook wel mee eens, maar dat maakt mij nog niet automatisch een voorstander van het laatste. Vanuit dit standpunt kun je ook weer in verschillende richtingen vertrekken; je kunt niet rücksichtlos alle techniek overboord gooien en alleen nog maar apparatuur ontwikkelen door ernaar te luisteren, maar aan de andere kant kun je ook niet uitsluitend op meetresultaten werken. Techniek is dus onvermijdelijk, maar je moet als technicus ook durven zeggen: “dit apparaat levert matige meetresultaten op, maar het klinkt geweldig.” Aan de andere kant zijn er goeroe-achtige types die het welhaast modieus vinden om een versterker in huis te hebben die meettechnisch absoluut slecht is, maar puur subjectief fantastisch klinkt. Ik waag dit een soort ‘mooi van slechtheid’ te vinden. Elk apparaat moet gewoon aan een pakket van technische minimum eisen voldoen om gewoon een goed apparaat te kunnen zijn. Waar ligt dan het compromis? Waar komen deze wegen samen en met welke techniek kun je er zo dicht mogelijk bij komen?

EDITORS' CHOICE