TIP

Monteren doe je zo! Deel 2


Ulco Schuurmans | 10 augustus 2014

Al vanaf de analoge film wordt beeldmateriaal op maat bijgesneden, in de juiste filmische volgorde geplaatst en elders in geplakt. De videotape werd logisch gestapeld van de camera of recorder naar de masterrecorder. Maar de komst van het niet lineair kunnen editen (NLE) op de computer heeft deze kunst van monteren pas op hoog niveau gezet. 

Op de keper beschouwd lijkt het monteren van beeld en geluid veel op tekstverwerken. Je kunt inkorten, weghalen, verplaatsen, weer invoegen en stukken van elders er in of tussen plaatsen. Een andere overeenkomst is dat overdaad schaadt. Inkorten maakt zowel tekst als video scherper. In de beperking herkent men de meester. 

Het bijsnijden, knippen, plakken, verwijderen, verplaatsen en invoegen kan zowel met de gereedschappen (editing-tools) als (uitklap)menu’s van de NLE-software. Het aanklikken van het desbetreffende gereedschap geeft de muiscursor de gewenste montagefunctie. Bij het aanklikken van het icoontje of de balk van een videoclip kunnen daar opties uit de keuzemenu’s worden losgelaten.

 

Trimmen en edit-vensters
Het snijden of trimmen van een video- of geluidsclip kan op de uiteinden of ergens in de clip zelf plaatsvinden. Voor de uiteinden betekent dat in de praktijk een knip zetten of aan deze in- en uitpunten met de editcursor duwen of trekken. Het snijden in een clip gaat via het scheermesje (razor).

Er zijn verschillende methoden om bovenstaande montageprocessen uit te voeren. Als eerste het editvenster. In feite gewoon een voorvertoning (preview) in een venster van de montagesoftware op de monitor of tv. De editor loopt met de muis- of trackballcursor of door het trekken aan een grafische balk door de clip heen. Voor het aangeven van het bijgesneden beginpunt van de clip wordt een symbooltje onder in het editvenster aangeklikt of op de I-toets gedrukt. Voor het bijgesneden eindpunt is er een afsluitsymbooltje of op de O-toets drukken. De montagesoftware onthoudt waar deze I- en O-punten zitten en zet dit deel straks in de tijdlijn of het storyboard. Het origineel blijft bewaard (non destructief). Je raakt dus niets kwijt of zo.

Het scheermesje zet een knip ergens tussen de eindpunten. Daar kan je als editor drie dingen mee: Een clip in twee delen splitsen. Met twee knippen er een stuk uithalen. En deel van de clip los van de rest bewerken. Bijvoorbeeld een effect, filter of geluidsbewerking slechts op een deel van de video- of audioclip toepassen. Doorgaans is een actieve clip zichtbaar door de geaccentueerde kleur of oplichten (highlighted).

Waarop te snijden?
Het trimmen of bijsnijden van videoclips kan om verschillende doelen. Het hoofddoel is altijd het verhaal of de rode draad. Alles wat daar niets mee te maken heeft wordt uit de videofilm gesneden. De volgende stap is dan het verwijderen van overtollig materiaal. In de praktijk alles dat niets toevoegt, al eerder of dubbel voorkomt en slechte opnamen. Dat gaat menig videofilmer aan het hart. Al die toch ook fraaie shots wegdoen? Ja, hoe korter des te krachtiger de film. En dat is wat in het snelle informatietijdperk telt: kort, boeiend en flitsend.

En een andere toepassing van trimmen is op het woord, zin of zelfs de lettergreep in het interview. Alle eh’s, versprekingen, microfoonklikken en andere onnodige audio-rotzooi er uit. Dan wordt de soundtrack pas echt een streling voor het oor.

Een belangrijk doel van snijden is ook het houden van vaart en afwisseling in de videofilm. Deels wordt dit tijdens de opname al gepland en deels later in de montage aangebracht. En als laatste noemen wij het snijden op effecten zodat de desbetreffende overgang voldoende materiaal heeft om goed tot zijn recht te komen. Te kort haalt de zeggingskracht weg. Te lang wordt saai.

De nauwkeurigheid
Video kent normaliter 25 of 50 beelden per seconde. De maximaal haalbare nauwkeurigheid bij het trimmen is 1 beeldje (frame). Dat zal echter in de meeste snijgevallen niet nodig zijn. Er wordt op een seconde of delen van een seconde gesneden.

De nauwkeurigheid bij het trimmen kan op meerdere manieren ingesteld en/of bereikt worden. Als eerste de tijdschaal, met name bij het gebruik van een tijdlijn (timeline). Die valt meestal van een seconde tot meerdere seconden in te stellen. De maatverdeling is in het venster boven of onder de sporen zichtbaar. In snijvensters of door op clips in de sporen te klikken opent de tijdcode of tellerstand. Bij diverse NLE-programma’s valt de getalswaarde voor het I- en O-punt dan rechtstreeks in te voeren.

Onder de snijvensters staan bij gevorderde montagepakketten een draaiwieltje (jog shuttle) of pijlsymbooltjes om frame voor frame mee te verspringen. Met de jog & shuttle valt traag of sneller door de clip te bewegen om de snijpunten te bepalen.

Plaatsen in de tijdlijn of storyboard
Het rangschikken van videoclips bij de montage gebeurt in de vorm van een tijdlijn of een storyboard. Bij een tijdlijn worden de video- en audioclips weergegeven als balkjes op de respectievelijke video- en audiosporen, de tracks. Deze manier van presenteren heet tijdlijn omdat de clips en sporen qua lengte de (werkelijke) tijd weergeven. In een timeline valt gemakkelijk een sequence of project op te bouwen. De editor kan de clips makkelijk achter elkaar op een spoor of met behulp van meerdere sporen boven elkaar stapelen.

Het plaatsen van clips in de tijdlijn verloopt via het met de muis of trackball er inslepen of het geven van deze opdracht per menuoptie of invoegknop. De clip komt op de plaats waar de cursor in de tijdlijn staat. Er zijn verschillende mogelijkheden om de clip netjes aan het eind van de vorige, ergens midden in (insert), vooraan of bovenop te plaatsen. Tevens is er keuze om sporen op slot te zetten (hier kan niets ingevoegd worden) of alleen beeld of geluid te plaatsen.

Bij het storyboard worden de videoclips weergegeven als een plaatje. Door de plaatjes achter elkaar te plaatsen (het zogenaamde stapelen) ontstaat het filmisch verhaal. Een geheel andere versie van een storyboard is om in het desbetreffende montagevenster een aantal clips als verhaallijn te selecteren en deze vervolgens en masse in de tijdlijn te plaatsen. Zowel in de timeline als het storyboard zijn de clips verder te bewerken met effecten, titels en filters.

Cut & paste, copy en verplaatsen
Onder de cut & paste wordt het losknippen en elders weer inplakken verstaan. In principe betekent de term cut gewoon weg- of er uit snijden. Dat kan met een gehele clip of deel (razor) daarvan. De montage software onthoudt hetgeen er net weg gesneden is. Met een plak (paste) kan dit deel weer elders waar de cursor staat worden ingevoegd.

Een copy kopieert de op dat moment aangeklikte (actief gemaakte) videoclip. Die kan dan zonder dat de oorspronkelijke clip verwijderd wordt elders in de tijdlijn of het storyboard neergezet worden. De move is het verplaatsen van clips in de timeline of storyboard. Doorgaans door het verslepen met de muis of trackbal. Daarbij verandert dus de volgorde van de clips zonder dat er shots of scènes verwijderd worden.

Gaten dichten
Bij het wegsnijden, plakken of verplaatsen kunnen er gaten (gaps) in de sequentie ontstaan. Videoclips sluiten niet meer aan en dat geeft lelijke zwarte flitsen. Bij een aantal montagepakketten is er sprake van een zogenaamde magnetische tijdlijn. Na het wegknippen of tijdens het invoegen sluiten de clips vanzelf precies weer aan. Bij weer andere pakketten kan er via een menu actief naar gaps gezocht worden. Door de nauwkeurigheid via de tijdschaal te vergroten kunnen gaten van zelfs delen van seconden gemakkelijk zichtbaar gemaakt worden. Ook worden zo per ongeluk achter gebleven kniprestjes (een flits van een andere clip die er nog tussen zit) opgespoord. Netjes verwijderen en het gat dichten.

Lelijke lassen
Bij een knip in een clip of trimmen kunnen lelijke lassen, de overgang tussen twee shots of scènes, ontstaan. Het beeld schokt of springt visueel. Daartegen zijn een aantal dingen te doen:
1. Een stukje video over de las te zetten zodat deze bedekt wordt. Men spreekt hierbij van snijshots of overlappende inserts.
2. De las met een overgangseffect verdoezelen. Bijvoorbeeld een overvloeier of dissolve.
3. Het volgende beeld inzoomen. Dat geeft een afwisseling met een normaal shot en een close-up.
4. De volgende clip toont een geheel ander onderwerp of object dan de vorige. Bijvoorbeeld eerst de ene acteur en dan alleen de andere in beeld.

Complexe projecten en nestelen
Bij grote of ingewikkelde projecten kan het verstandig zijn om deze op te splitsen in aparte sequences of deelprojecten. Daarmee behoudt de editor niet alleen het overzicht maar kan ook gemakkelijk de videofilm in de montage op onderdelen wijzigen of bewerken. Dat scheelt ook in tijd en berekeningen (rendering). Onder nesting wordt het invoegen van aparte (deel)sequences in een overkoepelende sequence of project verstaan. Hiermee zijn aparte scènes los te bewerken of ingewikkelde composities op te bouwen. De nestingfunctie zit meestal alleen in geavanceerde montagesoftware.

EDITORS' CHOICE