NIEUWS

Beeldstabilisator of statief?


Ulco Schuurmans | 07 oktober 2014

Camcorderfabrikanten hebben met name de optische beeldstabilisatie op de camera tot grote hoogte doorontwikkeld. Hetzelfde geldt ook voor videofilmende spiegelreflex- en systeemcamera’s en zelfs in de smartphone zit er tegenwoordig eentje… Dan ontstaat al gauw de indruk dat een statief overbodig is. De camera houdt dan alles toch zelf lekker stil?

Voor menig video-amateur is het niet precies duidelijk wat een beeldstabilisator nu eigenlijk doet. Er is sprake van een optische of elektronische beeldstabilisator. En dan ook nog in horizontale of verticale richting. Verder is er een softwarematige beeldstabilisatie bij montagepakketten die de ongewenste camerabeweging er achteraf pas uithaalt.
Fabrikanten prijzen de prestaties van de optische beeldstabilisator (OIS) regelmatig de hemel in. Geen statief of steuntje meer nodig! Dat valt echter nog te bezien. Een OIS doet zijn werk zeker goed maar kan niet denken hoe het onderwerp te volgen en/of vloeiende camerabewegingen maken. Dit artikel behandelt de achtergronden van ongewenste camerabewegingen, de techniek achter de beeldstabilisatie en wanneer toch voor een statief te kiezen.



Ongewenste beweging
Het gaat allemaal om ongewenste beweging in het videobeeld. Schokjes, wiebelen of zelfs uitzwaaien. Dat brengt onrust in het beeld en geeft in de ernstiger gevallen een soort gevoel van zeeziekte bij de kijkers. En dat bederft de videofilm.
Met het kleiner worden van de camerahuizen en het sterk groeiende telebereik van de zoomobjectieven maakt het rotsvast stilhouden van de camcorder, fotocamera of smartphone steeds lastiger. Je hebt geen goede grip op de body en het aanraken van de veelal kleine bedieningsknopjes doen de body bewegen. Net als bij een verrekijker geldt voor de teleobjectieven hoe groter de vergroting des te eerder het beeld instabiel (gevoelig voor beweging) raakt. In principe weet een vaste camerahand een vergroting van 4-6 keer stil te houden. Vanaf 10-12 maal zoom lukt dat echt niet meer. Dan is de hulp van een beeldstabilisator, statief of een snellere sluitertijd dringend gewenst.
Wat beweegt er nu eigenlijk aan de cameraman of -vrouw? Als eerste natuurlijk de handen. Dan ook vaak de armen. En ook het boven- of gehele lichaam kan als dat niet stabiel staat of van positie verandert bewegen. Bekende methoden om dit te compenseren zijn de arm(en) gebogen tegen het lichaam houden, de lichaamshouding op slot zetten en/of een steuntje zoeken. Bij een spiegelreflexcamera kan de opklappende spiegel een geringe camerabeweging teweeg brengen.

Techniek van de beeldstabilisatie
Centraal staat het concept: is de beweging van het beeld kleiner dan het oplossend vermogen van de combinatie camera/objectief, dan is er geen bewegingsonscherpte. Correcties in deze vinden plaats door binnen de optische speelruimte compenserende veranderingen aan te brengen. Dat kan iets ten koste gaan van de totale scherpte maar de storende beweging is veel erger.
Het elimineren van bewegingsonscherpte kan in de video- en fotopraktijk via optische beeldstabilisatie, digitale/elektronische beeldstabilisatie en de hybride beeldstabilisatie.
Bij de optische beeldstabilisatie maakt de fabrikant gebruik van een bewegend glaselement in het objectief. Een slim sensorcircuit detecteert de afwijking en stuurt via een elektrisch motortje of andere mechanica een zogenaamd zwevend lenselement aan om deze bewegingsonscherpte optisch te corrigeren. De theorie hierachter is dat bij beweging van de camera het licht niet meer onder een rechte hoek van 90 graden op de sensor valt maar afbuigt. Dat geeft onscherpte. Het zwevende optische deelt maakt deze afbuiging weer ongedaan. De sensoren meten doorgaans zowel de rotatie als hoeksnelheid.
Bij de digitale of elektronische beeldstabilisatoren zijn er eveneens weer sensoren die de ongewenste bewegingen van de camera waarnemen. Daarna zijn er twee correctiemogelijkheden:

1. Het mechanisch verstellen van de beeldchip zelf om de bewegingsafwijkingen te corrigeren;
2. Een deel van de beeldchip (doorgaans de randen er van) gebruiken om bewegingen op te vangen en digitaal te corrigeren. Dat kost dus oplossendvermogen omdat een deel van de photosites (de latere pixels) in gebruik is om beweging te corrigeren.

Bij een zogenaamde hybride beeldstabilisatie is er sprake van zowel de optische correctie als het verstellen van de opnamesensor. Hightech is om met minilensjes voor de opnamesensor de bewegingsonscherpte te bestrijden.
Het stabiliseren van het beeld kan zowel in verticale als in horizontale richting plaatsvinden. Verticaal is de eerste keuze omdat het systeem anders het meetrekken van de camera (horizontale richting) onbedoeld kan corrigeren. Nu wordt de elektronica voor beeldstabilisatie steeds slimmer. Zo slim dat het met specifieke algoritmen (fuzzy logic) via berekeningen kan inschatten of de gemaakte beweging nu wel of niet ongewenst is. Dan is er ook goede beeldstabilisatie in het horizontale vlak mogelijk. Bij een aantal camera’s kunt u behalve de beeldstabilisatie geheel uitschakelen ook kiezen uit verticale en/of horizontale stabilisatie aan/uit.

EDITORS' CHOICE