ARTIKEL


Rudy van Stratum | 02 februari 2001

5. De print als basis: geen brom meer

Zo ging het niet langer. Ik moest gestructureerder gaan werken. Ik heb vanaf dat moment niet anders meer gewerkt dan op universele `euro-printen`. Dit zijn gaatjesprinten van 9 bij 16 cm waarop ik netjes alle componenten kwijt kan. Ik leg een centrale aardstrip aan en heb nooit meer last van brom. Op de onderkant van de print soldeer ik de componenten zoveel mogelijk rechtstreeks aan elkaar (zie foto`s 1 en 2). Modificaties zijn nu heel simpel en betrouwbaar uit te voeren. Nu krijg je gevoel voor de logische opbouw van een schakeling. Je probeert de componenten zo te plaatsen dat er minimale onderlinge afstanden ontstaan. Dit is voor mij een hele belangrijke stap geweest. Door de netheid van werken krijg je er lol in om een `esthetische` print te maken. De printen vormen als het ware losse modules waardoor het mogelijk is met verschillende voedingen te werken. Ook heb ik wel een aantal varianten van dezelfde schakeling naast elkaar gemaakt en gebruikt. Een schakeling met WIMA-MKP en Holco`s, daarnaast dezelfde schakeling met Wondercap`s en Allen-Bradley`s. En dan combineren met een buizenvoeding, een gewone voeding, een gestabiliseerde voeding, een akku-voeding. Dit is een hele leuke en leerzame periode.

6. Het oog wil ook wat

Er komt geluid uit en het bromt niet meer. Nu komt de fase van `mijn definitieve versterker` die in de huiskamer mooi moet ogen. Een definitieve versterker komt er overigens nooit. Waarom moet het gebouwde er eigenlijk toonbaar uitzien? Een aantal redenen. Steeds apparaten doorschuiven naar de zolder is geen optie meer. Je wilt om de volgende schakeling te bouwen de huidige graag verkopen. Dat heeft niet alleen met geld te maken. Meestal ben je blij als je ongeveer de onderdelen-waarde voor je versterker terugkrijgt. Het heeft ook te maken met een onbewust schuldgevoel dat je niet al die versterkers kunt gebruiken, ze staan daar maar terwijl ze best goed klinken. Wil je een versterker ooit nog eens verkopen dan is het uiterlijk een eerste voorwaarde. Houd daar als zelfbouwer maar vast rekening mee. In de tijd dat ik veel bouwde is het mij steeds gelukt mijn versterkers aan derden te slijten. Inmiddels is dat een stuk moeilijker geworden, lijkt het, ik hoor dat ook van anderen. En die waarschuwing wil ik hier ook geven: zelfbouw op deze manier is ongelooflijk duur. Ik ben in tien jaar letterlijk duizenden keren naar electronica-winkels geweest, dan zie je weer dit en dan koop je weer dat. Elke keer kom je met een zakje onderdelen terug en elke keer kost het minstens een paar tientjes. Ik werd steeds creatiever om thuis niet steeds te hoeven uitleggen wat ik nu weer mee had gebracht. Het moet om tienduizenden guldens gaan, alle speciale aanbiedingen ten spijt.

Je hebt drie manieren om een nette kast te krijgen. De eerste en makkelijkste manier is een mooie kast kopen bij de electronica-handel. De keuze is beperkt, wat je zoekt zit er steeds niet bij, en het is prijzig. Een mooie 19-inch kast kost je al gauw 150 gulden. De winkel met het grootste assortiment is in mijn ervaring Stuut en Bruin in Den Haag. Een tweede optie is kiezen voor het MIKO handy-tube systeem. Je kunt dan alle denkbare afmetingen met bijbehorende metaalplaatjes laten afknippen. Foto 3 geeft een idee van wat je dan in je handen hebt. Kosten zijn ook al snel meer dan 100 gulden per kast. Enorm bewerkelijk, veel boren en slijpen. Echt mooi wordt het natuurlijk niet (zie mijn PTA-verhalen). De laatste optie is op maat een kast laten maken met volledige voorbewerking. Dat laatste is natuurlijk fantastisch, zeker als je een teringhekel hebt aan boren en vijlen zoals ik. In A&T staat regelmatig een advertentie van iemand die tegen acceptabele prijzen RVS-kasten op bestelling maakt. Foto 4 laat zo`n kast zien die in dit geval een Musical Fidelity A1-eindversterker herbergt. Foto 5 laat het binnenwerk van deze kast zien. Je ziet hier dat ook een transistorversterker heel goed op een gaatjesprint kan worden opgebouwd.

EDITORS' CHOICE