REVIEW

Maurice Ravel - Paavo Järvi – Cincinnati Symphony Orchestra


Jan Luijsterburg | 01 juli 2004

Suite No. 2 from Daphnis et Chloé, Pavane pour une infante défunte, La valse, Ma mère l’oye, Boléro

Paavo Järvi begeeft zich met zijn vierde CD met het orkest van Cincinnati, dat hij vanaf 2001 leidt, op vaak betreden paden. Van deze bekende werken van Ravel bestaan al vele uitstekende opnamen. Op dan nog op te vallen moet je met iets bijzonders komen. Järvi probeert het met aandacht voor details, snelle tempi en een opname met het brede frequentiebereik waar het label Telarc bekend om staat.

Maurice Ravel - Paavo Järvi – Cincinnati SymphonyHet werk van Ravel (1875-1937) is vooral populair omdat het de luisteraar enorm kan meeslepen. De impressionistische klankengolven werken sterk op het gemoed, maar kunnen voor sommigen ook wat al te zoetig geïnterpreteerd worden, als een Efteling sprookje. Järvi biedt tegenwicht. Hij benadrukt de analytische kant van Ravel, die zelf het componeren als een technische, totaal niet emotionele bezigheid bezag.

Hij hield van spelen met beperkingen, en was vervolgens totaal verbaasd over het effect dat een in zijn ogen onnozel werkstukje had op de luisteraar. De Pavane is hiervan een goed voorbeeld. Bedoeld als een simpel stukje salonmuziek voor amateur-pianisten, werd het razend populair. Om het te redden van de gebruikelijke beroerde amateur-uitvoeringen orkestreerde hij het in 1910, met een prachtige hoornpartij. Het werd een van zijn populairste stukken, veelal in betoverende, zwijmelende uitvoeringen. Hier is de uitvoering opvallend arm aan rubato, een beetje steriel zelfs. Het stuk blijft overeind, je zit dichter op de noten. Het wisselgeld is de magie. De betovering is lang niet zo groot als bij vele beroemde andere uitvoeringen.

Andere voorbeelden van stukken met een ‘handicap’ zijn Ma mère l’oye, de sprookjes van moeder de gans, oorspronkelijk geschreven voor twee piepjonge, net beginnende pianistes (6 en 7 jaar). Bij de Boléro was het de sport om met twee simpele melodietjes zonder enige variatie toch een kwartier lang de aandacht te kunnen vasthouden, een pure oefening in crescendo. Tot slot, niet op deze CD, is er natuurlijk het Pianoconcert voor de linkerhand, geschreven voor een pianist die een arm verloren was.

Maurice Ravel - Paavo Järvi – Cincinnati SymphonyHet meest vertrouwd is de mooie uitvoering van de Daphnis et Chloé suite (eigenlijk het slotdeel van het oorspronkelijke ballet minus de koorpartij). Bij La valse ontbreekt de totale waanzin waarin dit ballet aan het eind ontaardt, als beeld voor de eerste wereldoorlog en wat die allemaal kapot maakte. Järvi wil duidelijk het theatrale effect temperen, maar dan gaat er ook echt wel wat verloren. De waanzin om precies te zijn, dat alles met een enorme smak in elkaar dondert is een tamelijk wezenlijk deel van het stuk.

Ma mère l’oye is opgenomen in de oorspronkelijke orkestratie van de pianowerkjes, niet de wat uitgebreidere balletversie die meestal gespeeld wordt. Net als bij de Pavane ontbreekt de betovering die je zo associeert met dit stuk. Mooie detaillering, maar weinig emotie. En, zoals op de hele plaat, een opvallend ingehouden plaats voor de strijkers in het geluidsbeeld. Want strijkers zijn natuurlijk de ‘zwelgers’ bij uitstek.

Het slotstuk, de overbekende Boléro, moet een wereldrecord zijn. Dertieneneenhalve minuut, dat is minstens twee minuten korter dan gebruikelijk. Kapot krijg je het stuk niet met deze haastige spoed, maar lijden doet het wel. Het wordt er vlak van, het mist dynamiek en drama. Ongetwijfeld was dit de bedoeling. Het maakt deze CD, die trouwens ook als multichannel SACD verkrijgbaar is, tot een waardevolle aanvulling op de vele mooie uitvoeringen van deze prachtige werken van bijvoorbeeld van Monteaux, Haitink en Boulez. Een andere visie, maar ik verkies vooralsnog de vertrouwde interpretaties van die alternatieven.


Aanvullende informatie:
Speelduur: 63:00
Opname: DSD (Direct Stream Digital)
Label: Telarc CD-80601 www.telarc.com
Distributie: Codaex

EDITORS' CHOICE