REVIEW

Stravinsky Ballets


Jan de Jeu | 03 juli 2008

Op 6 februari 1909 worden tijdens een concert in St. Petersburg twee werken van de op dat moment 26 jaar jonge componist Igor Stravinsky uitgevoerd; Scherzo Fantastique en Feu d’ Artifice. In het publiek bevindt zich ook de oprichter en artistiek leider van ‘Ballets Russes’; Sergei Diaghilev.

Hij geeft Stravinsky ter plekke opdracht om twee pianowerken van Chopin te orkestreren ten behoeve van het ballet Les Sylphides en is daar vervolgens dermate tevreden over dat hij kort daarna de opdracht geeft voor L’Oiseau du Feu dat op 25 juni 1910 in première gaat. Het is het begin van een langdurige samenwerking tussen de componist en de man die er verantwoordelijk voor is dat in het begin van de twintigste eeuw het Parijse publiek in aanraking komt met diverse vertegenwoordigers van de Russische cultuur, waaronder Stravinsky.

Of Stravinsky zonder de ontmoeting met Diaghilev zich ooit gericht zou hebben op het schrijven van balletmuziek zal wel altijd een vraag blijven maar feit is wel dat Stravinsky’s muziek niet alleen zeer complex, maar tegelijkertijd ook uitermate dansbaar is. En hoewel het voor zowel musici als dansers een echte ‘tour de force’ is, lijken zijn muziek en het ballet voor elkaar gemaakt. Niet voor niets omschrijft Stravinsky kenner Volker Scherliess diens muziek als ‘beweging in geluid’.

De diep in de Russische folklore gewortelde balletten L’ Oiseau du Feu, Petrushka en Le Sacre du Printemps zijn alle drie geschreven in het begin van Stravinsky’s carrière. In vergelijking met andere grote componisten – en dit geldt zowel voor zijn voorgangers als zijn tijdgenoten – is zijn artistieke persoonlijkheid in zijn vroege jaren al sterk ontwikkeld en uitgesproken. In de Vuurvogel zijn zeker nog sporen terug te vinden van zijn leraar Rimsky-Korsakov en van Glinka en Tchaikovsky. Het heeft tegelijkertijd impressionistische kenmerken die in de twee latere werken ontbreken. Ook zijn hier al tekenen te ontdekken van de stijl die in de twee volgende balletten verder ontwikkeld wordt en in Le Sacre du Printemps tot een hoogtepunt komt. Dit is met name het geval in The Infernal Dance of Kastchei and His Court. In het verhaal van de harlekijn pop Petrushka is prachtig te horen hoe Stravinsky voor ieder instrument (of voor groepen van een bepaald instrument) eigen thema’s neerzet. Dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot een componist als Wagner die de verschillende timbres van de instrumenten laat samensmelten tot een grote golf van geluid of Debussey die veeleer bepaalde groepen van instrumenten op zorgvuldige wijze met elkaar vermengt. Op 29 mei 1913 gaat in het Parijse Théatre des Champs-Elysées het heidens ritueel Le Sacre du Printemps in première. Net als bij de twee eerdere balletten het geval is opent Stravinsky ook hier heel subtiel en niet op een overdonderende wijze zoals Richard Strauss hem eens adviseerde (teneinde de aandacht van de toehoorder al in de eerste minuut te grijpen). Maar daarna ontvouwt zich de brute, regenererende kracht van de Russische lente die in niets lijkt op de romantische schoonheid van de centraal Europese lente. Het wordt tot uitdrukking gebracht in de complexe stapeling van motieven en het samengaan van meerdere elkaar confronterende, scherpe dissonanten creerende tonale vormen in een ritmische structuur die op dat moment totaal nieuw is. Logisch dat de waardering bij het première publiek sterk verdeeld is en dat het werk tot in de zestiger jaren van de vorige eeuw stof tot discussieren heeft gegeven.

Voor mij is Stravinsky met afstand dé componist van de twintigste eeuw die mij het meeste raakt. Daarbij heb ik de sterkste affiniteit met juist deze drie werken. Alle drie bezit ik ze in diverse uitvoeringen, verdeeld over LP’s, CD’s en SACD’s. Niet eerder ben ik echter een zo mooie box tegengekomen als deze door Speakers Corner Records uitgegeven slipcase met daarin drie re-issues van uitvoeringen op LP’s van Mercury Records. Alle drie de werken worden gedirigeerd door Antal Dorati, waarbij ‘the London Symphony Orchestra’ te horen is bij de uitvoering van The Firebird terwijl de beide andere werken gespeeld worden door ‘the Minneapolis Symphony Orchestra’. Het zijn stuk voor stuk uitvoeringen waarin de ongebreidelde kracht, energie en levenslust die deze werken ademen perfect tot uitdrukking komen. De opnamen zijn subliem, met als enige nadeel de tape-hiss die met name aan het begin – Stravinsky begint subtiel, remember – aanwezig is. De burleske wijze waarop de werken uitgevoerd worden maakt echter dat ik al snel in staat ben om deze storende bijgeluiden uit te filteren. Het koper schettert, de pauken zijn majestueus, de verenigde cello’s haren ten berge rijzend en de fagotten en hobo’s hartverwarmend mooi en sonoor. Het booklet, met op de voorkant een schitterende foto van Stravinsky gemaakt door Man Ray, is zeer informatief en prachtig uitgevoerd. En hoewel het jaar nog maar halverwege is durf ik nu al te stellen dat dit de mooiste re-issue op 180 gram vinyl van het jaar is. Absoluut essentieel voor iedere van vinyl genietende (modern) klassieke muziek liefhebber.

EDITORS' CHOICE