REVIEW

Vintage Review - LEAK Delta 30 versterker

Enige tijd geleden kreeg ik van een gewaardeerde collega een mailtje of ik interesse had in een LEAK Delta 30 versterker. Gratis en voor niks welteverstaan. Nu heb ik een groot zwak voor oude Britse hifiproducten, en het duurde dus welgeteld een seconde voor ik ja zei. “Kijk maar of hij het nog doet,” had hij gezegd toen hij me enige tijd later het ding in de handen drukte, “hij staat toch maar niks te doen in mijn berging.” Vlak daarna kreeg ik van de redactie van HiFi.nl de vraag of ik nog een interessant onderwerp wist voor een review in de nieuwe Vintage rubriek die ze wilden gaan starten. Nou, toevallig wel...

LEAK werd als merknaam geregistreerd in 1934 door de Londense ingenieur Harold Joseph LEAK. Hij bouwde in de jaren dertig en veertig vooral versterkers voor PA en theaters, maar vanaf de jaren 50 produceerde het bedrijf een groot aantal uitstekende hifi-versterkers, tuners, luidsprekers, toonarmen en een platenspeler. In 1969 werd het bedrijf verkocht aan The Rank Organisation, een grote Britse entertainment-maatschappij die vandaag de dag te vergelijken zou zijn met EndeMol.



De LEAK Delta 30 die ik in de schoot geworpen kreeg is begin jaren 70 vrij kort geproduceerd, dus nadat het merk in handen was gekomen van The Rank Organisation. Dat betekende echter niet dat het een minderwaardig ontwerp was, want de Delta 30 was in feite een licht gemodificeerde versie van de in 1965 door Harold Leak ontworpen Stereo 30+. Volgens de fraaie drietalige (en driekleurig gedrukte!) handleiding die ik erbij kreeg levert de Delta 30 een continu uitgangsvermogen van 2x15 Watt aan 8 Ohm, en 2x20 Watt aan 4 Ohm. Het muziekvermogen (een vage term die ongeveer aangeeft hoeveel Watt er tijdens pieken in de muziek kan worden weergegeven) ligt op 40 respectievelijk 60 Watt. 

Je kunt de Delta 30 met de beste wil van de wereld dus geen krachtpatser noemen, maar we weten allemaal dat Wattage op zich niets zegt over de geluidskwaliteit, wat ook zou blijken tijdens de luisterperiode. Het uiterlijk verdient wel een wat uitgebreidere vermelding. In de jaren 50, 60 en 70 hadden ontwerpers de gewoonte om hifi-apparatuur een soort ‘meubilair’-credibility te geven door er houten kasten omheen te bouwen. Vandaag de dag vinden designbewuste lieden dat retro... ik vind het gewoon prachtig. 


Aansluitmogelijkheden anno 1970

Helaas heeft een vorige bezitter op enig moment de kwast ter hand genomen om het matte notenhout-bruin van de houten ombouw in ‘keurig’ glanzend zwart om te toveren. Dat past niet goed bij het donkerbruin van de plastic knoppen en de glazen strip die het aluminium front sieren. Beetje jammer, maar we moeten een gegeven paard niet in de bek kijken, nietwaar? Op het front vinden we van links naar rechts een ingangskeuze-schakelaar (twee tuners, twee platenspelers en een tape-ingang, de droom van elke jaren 70 audiofiel) een aparte tape-ingang (in vijfpolig DIN), een regelknop voor bas en hoge tonen, een balansknop en een aan/uit schakelaar die ook als volumeknop dienst doet. Daaronder vijf drukknoppen. De eerste twee schakelen respectievelijk de linker- en rechter inputs aan de achterzijde als monokanalen zodat ze met twee luidsprekers kunnen worden weergegeven; daarnaast een tape-monitor knop, een schakelbaar low-pass filter om tape-ruis te verminderen, en een knop waarmee de luidsprekers worden ingeschakeld.


Euh...een kroonsteentje? Maar dan wel weer cinchbussen.

Op de achterzijde zijn tot mijn verrassing uitsluitend RCA- oftewel cinch-inputs te vinden, maar die zijn zo dicht bij elkaar geplaatst dat een beetje moderne stekker al gauw te dik is. De LEAK Delta 30 heeft nog wel DIN luidsprekeraansluitingen met een brede platte en een dunne ronde pin voor respectievelijk min en plus aansluiting. Dit is duidelijk een model uit de overgangsperiode naar de huidige standaard. Zoals gezegd zijn er twee tuner- en twee platenspeler-aansluitingen te vinden, waarvan er steeds eentje voorzien is van een standaard-gain en eentje schakelbaar is tussen low-gain en high-gain

Op het eerste gezicht spreekt dat min of meer voor zich, maar bij de platenspeler-ingangen moet rekening gehouden worden met het soort element dat kan worden aangesloten. De normale input is voor MM elementen, de schakelbare input is daar in de high-gain stand ook voor geschikt, de low-gain stand moet gekozen worden als een keramisch of kristal-element wordt gebruikt die een lagere impedantie en een hogere output heeft. Ook bij de tuner is het oppassen geblazen: de ongeschakelde input is voor tuners met een output van 50 mV, de schakelbare input is in de high-gain stand ook voor 50 mV, maar in de low-gain stand voor tuners die 500 mV afgeven, net als bij de platenspelers dus...


Alles is hardwired uitgevoerd

Ik zal hier trouwens niet pretenderen dat ik verregaande kennis heb over elektronische schakelingen. Het complete schema dat destijds keurig netjes bij de versterker geleverd werd, zou wat mij betreft ook een schatkaart van kapitein Iglo kunnen zijn, maar als ik de houten ombouw voorzichtig verwijder en een blik werp in de versterker zie ik voornamelijk point-to-point aansluitingen, dus hard-wired zonder printplaten. Dat geeft vertrouwen, want zulke versterkers hebben doorgaans een veel langere levensduur dan die met uitsluitend printplaten. Vooral oudere exemplaren hebben na jaren gebruik (en aansluitend jarenlange stilstand) vaak last van verkruimelende pcb’s, met alle gevolgen van dien. 

EDITORS' CHOICE