REVIEWPass Labs

Luisteren naar de Int-150


Jan de Jeu | 20 december 2007 | Fotografie Jan de Jeu | Pass Labs

Ik laat de versterker enkele dagen aan het stroomnet lurken zonder dat ik hem echt aan het werk zet. Wanneer ik me uiteindelijk niet langer in kan houden en de eerste CD opzet is het vreemd genoeg niet de muziek die me als eerste raakt maar de stabiel draaiende volumeknop. Het geluid blijkt namelijk uiterst nauwkeurig in te stellen. Op de eerste klik staand zijn beide kanalen absoluut gelijk in sterkte. Iets wat lang niet voor iedere versterker geldt. Met ieder stapje van 1 dB wordt het geluid een tikkeltje harder, heel geleidelijk en daarmee perfect in te stellen op de voorkeur van de gebruiker. Doordat het volume voor beide kanalen in getallen aangegeven wordt in het display is het bij een volgende keer draaien van dezelfde CD ook heel makkelijk om exact dezelfde geluidssterkte in te stellen. Bij het terugdraaien van het volume valt vervolgens op dat het stereobeeld ook op zeer laag uitgangsniveau perfect in stand blijft. Klasse!

Maar alles went, dus ook het spelen met deze volumeknop. Waarmee de ruimte geschapen is om me te kunnen richten op de muziek. De naam van die eerste CD ben ik vergeten maar de CD die vervolgens in de speler verdwijnt en ook echt aandachtig beluisterd wordt is Chris Jones’ ‘Roadhouses & Automobiles’(Stockfisch SFR 357.6027.2). Deze schijf ken ik door en door op deze installatie en in deze ruimte. De enige veranderde variabele is de versterker. Eerst de DK Design, nu de Pass Labs. Het titelnummer vult de piramidevormige luisterruimte en meteen is duidelijk dat de Int-150, net als de DK, hoog scoort op ruimtelijkheid. Ik besluit om de hele CD af te spelen en geleidelijk gaan me de verschillen steeds duidelijker opvallen. Uiteraard gaat het daarbij om nuanceverschillen. Het eerste dat opvalt is het verschil in snelheid, iets dat met name opvalt bij het gitaarspel van Chris. De DK is sneller en bij het beluisteren van deze nummers trekt derhalve de gitaar via de DK meer aandacht naar zich toe. Nu klinkt dat instrument fractioneel trager en minder gestoken en puntig, overigens zonder dat het gevoel ontstaat dat er iets aan details gemist wordt. Het is veeleer dat de aandacht nu wat meer getrokken wordt naar de klankkast van de gitaar en naar de stemmen van Chris en die van de backing vocals. De Int-150 lijkt meer getuned op stabiliteit en harmonische rijkdom dan op snelheid. Stemmen en instrumenten zoals de saxofoon van Beo Brockhausen krijgen meer body en doortekening. Rijker en voller zijn trefwoorden die steeds weer opduiken in mijn brein tijdens het doorlopen van de elkaar opvolgende songs. In ‘God Moves On The Water’ wordt daardoor ook bijvoorbeeld sterker het gospel karakter benadrukt. Onmiskenbaar hoorbare verschillen tussen de beide geïntegreerde versterkers. 

In de daaropvolgende luistersessies blijft dat beeld onveranderd. Het gevolg is dat ik meer muziek ga draaien van grote orkesten met hun rijke texturen. Bijvoorbeeld die fraaie Mercury opnamen van het London Symphony Orchestra onder leiding van Antal Dorati die met enige regelmaat door Speakers Corner Records op 180 gram vinyl uitgebracht worden. Zo draai ik achtereenvolgens Aaron Copland’s ‘Appalachian Spring’ (Mercury SR90246) en Igor Stravinsky’s ‘Song Of The Nightingale’ (Mercury SR90387) en ben ik onder de indruk van de overtuigende wijze waarop de kracht en het dynamische geweld van de uitvoeringen door de Int-150 weergegeven worden.  Het koperwerk aan het begin van het laatstgenoemde werk klinkt niet alleen magistraal maar vooral ook zeer realistisch. Voor solowerk en kleinere bezettingen  val ik terug op CD en SACD. Wat ik daar na verloop van tijd echter een beetje ga missen is snelheid en openheid. Tot ik besluit om de RCA verbinding om te zetten  in een XLR verbinding en daarmee de gebalanceerde opbouw van de Int-150 ten volle te benutten.

Ik zet daarvoor de Esoteric speler in omdat deze zilveren schijven in zowel CD als SACD formaat af kan spelen. De eerste CD die ik eerst via RCA en vervolgens via XLR beluister is de prachtige ‘Montgolfières’ (Le Chant Du Monde 2741172) oftewel ‘Heteluchtballonnen’ van de uit Piemonte afkomstige Gianmaria Testa. In het titelnummer word je als het ware meegevoerd in de thermiek van de ballonnen, begeleid door jazzy zang, gitaren, elektrische bas, percussie, slagwerk en klarinet. Via de gebalanceerde verbinding is er net wat meer lucht, helderheid en puntigheid maar helaas gaat dat ook ten koste van iets en wel van de hoogte van het beeld; de ballonnen bereiken ditmaal de hogere luchtlagen niet. Het plafond dat zich normaliter op meer dan vijf meter hoogte bevindt wordt nu teruggebracht tot op ongeveer een derde daarvan. Niet ongebruikelijk bij gebalanceerde verbindingen.  Wat in dit geval mooier is, of liever gezegd belangrijker is, hoef ik voor u gelukkig niet te bepalen. Dat mag en kunt u perfect zelf.  Van Doug MacLeod’s stereo SACD ‘Unmarked Road’ (Audioquest SACD1046) draai ik vervolgens ‘Little Songbird’. Een nummer waarin een man, die zijn vrouw eenmaal te vaak bedrogen heeft, zijn verdriet om haar vertrek vertolkt in een blues. Ook hier via de gebalanceerde interlink de toename in puntigheid en helderheid die zowel in de stem als in het geluid van de gitaar tot uitdrukking komt.  Puntigheid en helderheid die evenwel nooit de aandacht trekken - lees: doorslaan – ten koste van andere kenmerken in het geluidsbeeld zoals dat bij sommige versterkers van andere merken wel het geval is. Evenwicht, stabiliteit en harmonische rijkdom blijven de kernwoorden.

EDITORS' CHOICE