ARTIKEL

Definitie – nagalmtijd T60


Gastauteur | 16 februari 2006

De term onhoorbaar in de tot nu toe gehanteerde definitie van nagalmtijd refereert aan een stoordrempel. Als geluid onder die stoordrempel komt wordt het niet letterlijk maar wel figuurlijk onhoorbaar. In een lawaaiige omgeving zal deze stoordrempel veel hoger liggen dan in een rustige omgeving. In de lawaaiige omgeving heerst een gemiddeld geluidsniveau van om en nabij de 95dB, hetgeen overeenkomt met het geluid op een werkvloer, in een druk restaurant of in een ruimte waarin muziek op realistische geluidssterkte wordt weergegeven. Geluiden die meer dan 30dB onder dit gemiddelde niveau liggen worden niet zo bewust waargenomen, tenzij men zich er specifiek op wil concentreren of erdoor gegrepen wordt (hetgeen één van de geneugten van het audiofiele luisteren kan zijn). Geluiden die 60dB onder het gemiddelde geluidsniveau liggen zijn onhoorbaar geworden – ze vormen geen storend element meer ‘uit het recente verleden’, dat de luisteraar in het heden afleidt van de muzikale boodschap.
In een rustige omgeving is het gemiddelde geluidsnivo 50 tot 60dB. Ook hier ligt de stoordrempel dezelfde factor van 60dB onder het gemiddelde, maar omdat dit gemiddelde zoveel lager ligt als in een lawaaiige omgeving kunnen ook relatief zachte geluiden nog altijd als storend worden ervaren, terwijl ze in de lawaaiige omgeving volkomen ten onder gaan in het gemiddelde heersende geweld.

Men heeft het begrip T60 (T–60dB) in het leven geroepen om zo het relatieve karakter van de stoordrempel te kunnen meenemen. Daarmee kan nu de definitie van de frequentie-afhankelijke nagalmtijd worden uitgebreid, opdat ook de relatie tussen de geluidsdruk en het uitsterven wordt omvat, los van de reeds genoemde frequentie-afhankelijkheid. Fig.3b is in feite een grafische uitbeelding van onderstaande definitie en ik verwijs er in dit verband nog eens naar:


Definitie – nagalmtijd T60

Nagalmtijd T60 – kortweg de nagalmtijd in deze artikelen -- beschrijft de tijdsduur die een gegeven ruimte nodig heeft om het hele spectrum van de door een geluidsbron afgestane akoestische energie over de gehele frequentieband gelijkmatig zodanig te verzwakken dat dit 60dB onder de oorspronkelijke geluidssterkte komt te liggen.

Deze laatste uitbreiding van het begrip nagalmtijd heeft implicaties die wellicht niet meteen duidelijk zijn. Iedere luisteraar zal bewust of onbewust bekend zijn met het fenomeen dat een lange nagalmtijd het duidelijkst tot uiting komt wanneer men muziek op realistische sterkte afspeelt. Bij een gering geluidsniveau speelt de invloed van de ruimte een kleinere rol als bij realistische geluidsniveaus van 90-100dB of daaromtrent. Met het toenemen van het volume neemt ook de storende invloed van de nagalmtijd toe en dit fenomeen is wel verklaarbaar. Bij hogere geluidssterkten is de achtergrondruis, die constant en onafhankelijk van het geluidsvolume van de geluidsinstallatie aanwezig is, onhoorbaar, omdat deze veel meer dan 50dB onder het geluidsvolume ligt. Het uitstervende geluid kan mengt zich met de aanwezige muziek en kan zich manifesteren als storend element, omdat het geluid betreft dat in feite al had moeten uitsterven tot minus 60dB. Het wordt ook als storend ervaren omdat het in zekere zin in directe relatie staat tot de muziek zelf: het is immers de muziek van twee maten geleden!


Handjeklap en Nagalmtijd.


Het komt voor dat iemand een ruimte betreedt, een aantal keren in de handen klapt en concludeert dat het met de nagalmtijd van de ruimte wel goed zit. Of juist niet. Zo’n handelwijze kan wel of niet zinvol zijn.
Wanneer de ruimte in kwestie voor audiofiele doeleinden is bedoeld, is het handjeklap volkomen ontoereikend om iets anders vast te stellen dan de aanwezigheid van flutter-echo en enig idee te krijgen omtrent een stukje nagalmtijd in het deelgebied tussen 800 en 3000Hz. Wanneer de ruimte in kwestie een woonkamer is waarin muziekweergave geen rol van betekenis speelt, kan aan het handjeklap behoorlijk wat nuttige informatie worden ontleend. Het doel van een ruimte dicteert zodoende de bandbreedte waarbinnen de nagalmtijd correct dient te zijn – wonen alleen vraagt enkel een beheerste nagalmtijd in het middengebied 700-2500Hz, maar audiofiel wonen vraagt een beheerste nagalm tussen 20Hz en 20kHz.

Neem een woonkamer in een nieuwbouwhuis – uitsluitend beton rondom, afgewisseld met glas van plafond tot vloer. Denk er vervolgens natuursteen bij op de vloer en je begrijpt dat dit de ingrediënten kunnen zijn voor een relatief lange nagalmtijd, die in het middengebied wel op kan lopen naar 3 seconden! Het doel van deze ruimte is wonen; converseren, televisie kijken, spelen voor de kinderen. Kwaliteitsweergave van muziek is geen issue. Bij al deze activiteiten worden geen lage tonen van betekenis opgewekt. Bijgevolg is het ook niet nodig om veel aandacht te besteden aan beheersing van de nagalmtijd in het lagetonengebied. Juist wel heel belangrijk is het om volop aandacht te besteden aan het voor conversatie en woongenot cruciale frequentiegebied dat loopt van 800 tot 3500 Hz – het middengebied en een deel van het hoge middengebied. Een lange nagalmtijd in dat frequentiegebied geeft bewoners namelijk het idee dat ze 10 kinderen hebben in plaats van 2 en dat er 20 mensen op een feestje zijn terwijl er in feite een rustig gesprek met 4 deelnemers gaande is. Fig.4 hieronder laat een soortgelijke situatie zien.

nagalmtijd in de praktijg
fig.4--- hier is selectieve nagalmbeheersing nodig…

Een lange nagalmtijd bederft het woongenot nodeloos, omdat is aangetoond dat het mensen onrustig maakt en hen bedachtzamer en meer geforceerd laat spreken om de verstaanbaarheid te garanderen indien je verder dan 70cm van elkaar verwijderd bent. De persoon die binnenkomt en op verschillende manieren in zijn handen klapt krijgt hierdoor een redelijk beeld van de nagalmtijd in het belangrijkste frequentiegebied dat het woongenot definieert.

EDITORS' CHOICE